Het stemmen van de Tellen, deel 3

25. Sleutel

Ten tijden dat ik de uitnodigingen en de bijbehorende enveloppen schreef, nam Theotofelus Tel, als één van de aanstichters van het hele gebeuren contact op met Stemfilodocus Tel de Zevenhonderdertigste, die ook wel Stemfi Tel werd genoemd. Stemfi Tel was een, zijn naam verraadt het al, directe afstammeling van Stemfilodocus Tel de bouwer van het Stemlokaal der Tellen. Stemfi Tel was net als zijn vader en zijn vaders vader en ga zo maar door verantwoordelijk voor het beheer van het  Stemlokaal opdat het Stemlokaal niet zou vervallen en altijd ter beschikking zou staan. Hij was, hoewel hij al tegen de zestig liep, pas sinds enkele maanden Stemhouder, daar zijn vader onlangs was heen gegaan en niet meer terug zou komen (althans niet voordat hij het geluk had gevonden en een draak had gedood en dat kon nog wel even duren zo had de beste man bij zijn vertrek gezegd). Zijn vader had hem de sleutel en de overdrachtspapieren overhandigd, had hem nog wat laatste tips gegeven en toen stond hij er alleen voor. Niet dat Stemfi Tel hier een probleem in zag. Hij was wel vaker alleen geweest in het Stemlokaal, maar als Stemhouder voelde het toch wat anders aan. Iets verantwoordelijker en gewichtiger ook iets officiëler en plechtstatiger. Zoals het strikt genomen was bedoeld en voorschreven. Hij was eindelijk waar hij wezen moest in de rol die op zijn lijf was geschreven, wat hem toekwam en waar hij voor was klaargestoomd. Eindelijk was het zover. Nu was het enkel wachten op.

Dat wachten deed hij, tot het moment dat Theotofelus Tel contact met hem opnam, inmiddels al een paar maanden. Stemfi Tel had zijn tijd nuttig besteed, daar niet van, maar na het zemen van alle ramen, het vegen van alle vloeren, het vullen van alle gaten in het dak en het ruimen van alles wat er maar te ruimen viel verveelde hij zich stierlijk. Zijn werkzaamheden hadden namelijk niet meer dan anderhalf uur in beslag genomen. Iets wat enerzijds was te danken aan de goede zorgen van zijn vader en zijn vaders vader en ga zo maar door en anderzijds te wijten aan de geringe omvang van het Stemlokaal. Toen Theotofelus Tel hem tijdens hun onderhoud met moeilijke woorden en veel poespas op de hoogte bracht van de geplande oproep en de aanstaande bijeenkomst van alle Tellen in het Stemlokaal, was Stemfi Tel dan ook zeer verheugd. Eindelijk zou hij weer wat te doen hebben. Een bijeenkomst als deze betekende immers dat er van alles voorbereid moest worden, dat geheime ingrediënten vergaard moesten worden en dat hij eindelijk weer eens gezelschap zou krijgen. Verheugdelijk nieuws dus.  Opgetogen ging hij aan het werk. Hij timmerde en hamerde met hout, hij plukte en verzamelde van struiken en hij wroette in de grond naar wat zich daar verstopt. Op deze manier verzamelde hij langzaam, maar gestaag alle benodigdheden bij elkaar die straks tijdens de verschillende procedures noodzakelijk geacht werden aanwezig te zijn.

Nu vraagt u zich als lezer wellicht af wat voor rare praktijken er straks gaande zullen zijn. U denkt wellicht aan hekserij, met grote kookpotten vol dampende geheimzinnigheid. Aan tovenaars die drankjes brouwen en spreuken spreken. Aan kikkers die in wratten veranderen en vleermuizen met slagtanden. Ik kan u geruststellen. Het is niks van dit alles. Het zijn enkel de Tellen die bij elkaar komen. Weliswaar in een te kleine ruimte voor ieder die aanwezig is, ik had u hier al voor gewaarschuwd, maar met goede bedoelingen en vertrouwen in een goede afloop.

Posted in Verhalen | Leave a comment

Ondeugd

24. Ondeugd

Goedemorgen, dag lief kind
Ik liet per ongeluk een wind
En toen schoot ik als een raket
Met een vaart van het toilet

Goedemiddag, dag papa
Ik ben vandaag een cavia
Ik stop alles in mijn wangen
Probeer me maar te vangen

Goedenavond, dag mevrouw
Wat smaakt vandaag het eten flauw
Mag ik van u misschien de kaart
En een stukje slagroomtaart

Goedenacht, dag mijn jongen
Ik ben alvast uit bed gesprongen
Want wie denkt er nu aan slapen
In een jungle vol met apen

Goedemorgen, dag madam
Weet u wat mij overkwam
Ik beklom samen met een dwerg
Een besneeuwde kledingberg

Goedemiddag, dag meneer
Ik ben opzoek naar een geweer
Om te vechten met mijn maten
Tussen vaders trostomaten

Goedenavond, goedendag
U kunt wel zwaaien met die vlag
Maar ik ga heus niet in dat bad
Ik houd niet zo van kleddernat

Goedenacht, dag mijn schat
Ik slaap vannacht op deze mat
Dat is als bed misschien wat klein
Toch ligt het zacht en reuze fijn

Posted in Gedichten | 2 Comments

Het stemmen van de Tellen, deel 2

En daar is deel 2 dan eindelijk. Het verhaal is nog lang niet klaar, dus het blijft spannend hoe dit ooit goed zal komen.

23. Envelop

Toen dus en derhalve besloten was nam Theotofelus Tel opnieuw het woord. Daarbij richtte hij zich deze keer niet tot Tanzitani Tel en Tel Tel maar tot mij, ik, uw schrijver. ‘Beste waarde Scriba Tel sta mij toe u toe te spreken’, zo sprak Theotofelus Tel. Zou u wellicht en indien ten verstaande bereid zijn om aan dit geheel een oproep te willen wijden welke inschrift gesteld aan alle Tellen kan en zal worden toegezonden? U mijn beste heeft zich als geen ander de kunsten der schriften eigen gemaakt, waarmee u zonder meer en zonneklaar de juiste Tel bent voor deze taak.’ Hoewel ik mij niet direct aangetrokken voelde tot de uitvoering van iets waar ik niet om had gevraagd, voelde ik mij toch enigszins vereerd en stemde toe. Hoewel het me zeker meer tijd zou kosten dan vooraf geweten, waarbij vooral het overschrijven van alle adressen uit het Grote bestand der Tellen naar bij de uitnodiging passende enveloppen me enige tijdszorgen opleverde, zette ik me na afscheid genomen te hebben en bij thuiskomst aan de taak van het op papier stellen van. Uiteraard zoog ik daarbij niet zomaar iets uit mijn duim. Ik wist van eerdere bijeenkomsten wat er van de uitnodiging verwacht werd en net voor mijn afscheid van Theotofelus Tel, Tanzitani Tel en Tel Tel had Tanzitani Tel me nog het een en ander aan bruikbare tips toegemompeld. Het had geklonken als ‘mmja, mmja’, maar de inhoud lag in de strekking van: ‘men neme een vel papier, men zet daarop de tekst Komt allen naar het stemlokaal, daaronder aangevuld met dag en tijd en dat is het wel zo’n beetje.’ Omdat ik dat wel erg karig vond als oproep, vulde ik de uitnodiging iets aan waardoor enige tijd later de volgende tekst verspreid werd in het Tellenrijk.

TS,

Komt allen op de eerste woensdag na volle maan naar het stemlokaal. Om 13.30 is daar uw tijd gekomen. Laat ons samenzijn en voor eens en voor altijd besluiten wat het beste voor ons is.

Hoogachtend, namens hen die u groeten en er zelf niet uitkwamen,

Scriba Tel

P.S. Vergeet uw stempas niet mee te nemen.

Al met al een uitnodiging waar geen enkele Tel nee tegen zou zeggen.

Posted in Verhalen | Leave a comment

Het stemmen van de Tellen, deel …?…

Onderstaande is weliswaar niet het vervolg op deel 1, maar is wel een onderdeel van het verhaal. Voor de lezers die al een aantal weken zitten te wachten op deel 2; heb alsjeblieft nog even geduld (het komt er echt aan) en geniet in de tussentijd van deel …?…

22. Bospad

De tijd der Tellen was gekomen. Van heinde en verre kwamen ze aangereisd. Sommigen in gezelschap van elkaar, maar even zo vaak reisden ze alleen. Niet omdat ze niet met een ander wilden, maar gewoon omdat dit zo uitkwam. Al was er ook één, zijn naam zal ik hier niet noemen, die expres alleen op pad ging. Op zijn weg was hij hier en daar wel groepjes reizende Tellen tegengekomen, maar steeds als het ernaar uitzag dat ze hem wilden opnemen in de groep had hij gedaan of hij nog ergens mee bezig was. Zo had hij regelmatig zijn veter gestrikt, een bordje gelezen of een bloem bestudeerd en op die manier was het hem gelukt om steeds op zichzelf te blijven. Iets wat hem enorm beviel, want hij hield er niet van om te reizen in colonnes, te wandelen achter iemand, te moeten afslaan als een ander dat wilde en vooral en met name om te moeten praten gewoon omdat dit nu eenmaal werd verwacht. Het praten werd, zo wist hij, door menig nieuwsgierige Tel immers niet gebruikt om te converseren over koetjes en kalfjes, maar om de ander uit te horen en vervolgens fluks zijn of haar eigen mening te kunnen uiten. Iets wat tot een onnodige discussie zou leiden die nergens toe zou komen en die eindeloos door kon gaan. Een discussie ook die sowieso straks over gedaan zou worden als alle Tellen het woord kregen. Grote onzin dus, zo vond de Tel wiens naam ik hier niet zal noemen, om hier al tijdens de reis mee te beginnen. Natuurlijk straks in het stemlokaal zou hij zijn zegje wel doen, maar nu nog even niet.

Posted in Verhalen | 1 Comment

Volgende week: tot nader order uitgesteld

21. Tijd

Ik heb geen tijd voor mooie woorden
Ik heb geen tijd voor rijm en zin
Ik heb geen tijd voor even schrijven
Ik heb geen tijd voor eind begin
Ik heb geen tijd, geen tijd, geen tijd
Tot mijn spijt

Posted in Gedichten | 1 Comment

Het stemmen van de Tellen, deel 1

20. Mening

‘Het acht mij dat het inmiddels en in de lijn van mijn mening de hoogste tijd is om het hoger op te zoeken en de Tellen zelf aan het woord te laten’, zo sprak Theotofelus Tel, die al sprekende zelf aan het woord was en daarmee voldeed aan zijn eigen uitspraak, maar in zijn eentje natuurlijk niet alle Tellen vertegenwoordigen kon al zou hij dat soms wel graag willen. Tanzitani Tel antwoordde volmondig dat hij het daar uitermate en in zekere zin compleet mee eens was. Een zin die voor buitenstaanders waarschijnlijk klonk als: ‘mmja, mmja… mmja.’ Tenslotte had Tanzitani Tel zijn mond vol, wat hem enigszins belemmerde in het articuleren, maar niet in het geheel in het geven van enigerlei of velerlei antwoorden. Toen ook Tel Tel, die zich tot op dat moment op de achtergrond had gehouden, maar die wel graag wilde dat zijn oordeel meetelde, instemmend knikte was het beklonken. De Tellen zouden om hun mening worden gevraagd. Let wel: alle Tellen. Uit het hele land en van heinde en ver. De gehele gemeenschap dus. Van jong tot oud. Van schrander tot verstandig. Iedere Tel zou het recht krijgen om te bevinden en te uiten. Iets wat naar verwachting de meeste Tellen maar al te graag en zonder enige strubbeling of aandrang zouden doen, zelfs als zij weinig tot niet al te veel over het te bespreken onderwerp wisten.

Nu vraagt u zich wellicht af waar de Tellen het woord over zouden krijgen, wie dat allemaal regelt en vooral waar dit alles plaats zou moeten vinden. Ik zal het u vertellen. Nu moet ik u daarbij wel waarschuwen, want indien u om wat voor reden dan ook niet houdt van kleine ruimten die volgepakt zijn met wie er maar is gekomen, waardoor bewegen enkel als groep en niet als individu gedaan kan worden, dan kunt u nu beter stoppen met lezen. Een dergelijke situatie zal in het geval dat alle Tellen bijeen zijn gekomen namelijk zeker ontstaan en ik zou het niet prettig vinden als ik u op enigerlei wijze gerief. Een gewaarschuwd mens telt voor twee en bij deze bent u dus gewaarschuwd. Daarmee is dit uw kans te stoppen met lezen. Denkt u tot hier en niet verder dan neem ik bij deze graag hartelijk afscheid. ‘Tot ziens. Adieu. Het ga u goed.’

Bent u echter een hardnekkig lezer en denkt u van hier naar verder dan neem ik u graag mee op reis. Over heuvel en door dal. Met omtrekkende bewegingen en recht door zee. Langs druk bevolkte steden en rustige dorpen. Dwars door het Tellerwoud om halt te houden op een open plek die weliswaar open is, maar niet leeg. Precies op het midden van de plek, door de Tellen ook wel aangeduid als het middelpunt, staat het gebouw waar alles straks plaats zal vinden. Het Stemlokaal der Tellen. Welke in lang vervolgen, maar niet vergeten tijden, werd gebouwd door Stemfilodocus Tel. Een destijds erg oude, maar hoog in aanzien staande Tel met zeer verstandige ideeën. Zo bedacht hij zaken als stempelen, stemtest en iets wat hij stemming noemde. Zaken die hij samenbundelde en perfectioneerde in procedures en regels die van toepassing zijn op een ieder die gebruik maakt van het Stemlokaal. Zaken dus die ook bij de aanstaande bijeenkomst van de Tellen zullen worden uitgevoerd en ondergaan. Uiteraard met de grootste precisie en het volste vertrouwen op een goede afloop. En in, ik waarschuwde u hier al voor, een te kleine ruimte voor alle aanwezigen.

Toen dus en derhalve besloten was, en ik tijd en ruimte had gekregen u bovenstaande uit te leggen, nam Theotofelus Tel opnieuw het woord….

Volgende week deel 2. Wil je als lezer enig invloed uitoefenen op het verloop van het verhaal schroom dan niet om mij in een comment te laten weten waar de Tellen eigenlijk het woord over krijgen. Wie weet doe ik er wat mee ;-)

Posted in Verhalen | 1 Comment

Ze gaan samen als…

Sommige mensen, dieren en dingen hebben een band. Zomaar, omdat ze elkaar leuk vinden of omdat het nou eenmaal niet anders kan. Lees hier het verhaal van computer en muis.

19 Computermuis

Je kruipt over me heen, schiet schichtig maar doelgericht heen en weer en beklikt me. Links, links, soms ook rechts. Ik geef je de ruimte. Laat je al trippelend je gang gaan. Samen kunnen we de wereld aan en openen we vele documenten. Ik vind je leuk. Jij vindt wat je zoekt. Meestal tenminste. Soms klik en klik en klik je, maar kom je er niet uit. Ik probeer je te helpen, geef je suggesties, pop-up, open, sluit. Gaat het helemaal mis dan probeer ik je met knipperende lichten en piepende geluiden te lokken. Muis, mijn muis, mijn lieve muis je moet hier naar toe. Naar boven, naar de volgende pagina, klik dan op het derde woord van links en dan, ja dan, dan ben je bij wat je zocht. Voor even dan, want niet heel veel later schiet je al weer verder. Op weg naar nieuws. Naar meer, naar… wie zal het zeggen. Jij niet. Jij praat niet. Jij klikt alleen. En ik, ik klik met je mee.

Posted in Verhalen | Leave a comment

Mama ik…

18. Moederdagcadeau

Moeder kreeg van Jaapje lief
Een mooi versierd cadeau
Dat had de kleine hartendief
Gekocht bij een depot

Daar hadden ze ’t cadeau echt waar
Verheerlijkt en geprezen
Je kon, zo zei de handelaar
Ermee gedachten lezen

Dat kwam goed uit dacht Jaapiejo
Dan hoef ik mama niet te zeggen
Wat ik op gespreksniveau
Zo moeilijk uit kan leggen

Je weet wel van dat lastige
Gevoel daar diep van binnen
Dat reuzige bombastige
Van trouw en diep beminnen

Hij hoopte dat ‘t cadeau voor mams
Zijn gedachten lezen zou
En dan zeggen op zijn telegrams
Mama ik hou van jou

En ja hoor…

Toen moeder het cadeau ontdeed
Van papier en krullend lint
Begreep ze als een heus profeet
De liefde van haar kind

Posted in Gedichten | Leave a comment

Gevonden voorwerp: het begin van later

17. Flessenpost

Daar lig je dan. Eindelijk. De fles waar ik al mijn hele leven naar heb uitgekeken. De fles met potentie tot meer. Niet gewoon leeg of gevuld met water en zeewier. Nee, in jou zit een boodschap. Aan mij. Ik die je vond. Wat je precies te vertellen hebt weet ik nog niet. Je laat het nog even geheim, totdat je straks, schoongeborsteld, verwarmd en gedroogd, je boodschap prijs zal geven. Ik buk me,  pak je en stop je in mijn zak. Je bent van mij. Helemaal van mij. Ik wandel nog een klein stukje verder, maar draai me dan vlug om. Waarom nog verder wandelen terwijl ik eigenlijk zo snel mogelijk naar huis wil om te kunnen lezen wat er in je zit? Ja, mijn hond wil vast nog even blijven. Voor haar ben ik immers hier. Voor haar plezier, ontspanning, beweging. Of met mooie woorden gezegd: zodat ze haar energie kwijt kan. Maar wat is een hond nu jij in mijn leven bent? Ze doet haar uiterste best, blaft, vertedert, en rent uitgelaten langs de branding. De branding die haar kleddernat maakt en jou, mijn lieve fles, voor mijn voeten wierp. Het is jammer voor haar, maar we gaan. Ik maak het straks wel goed. Dan lopen we wel een extra rondje.

Tenzij, het zou kunnen en moet haast wel, ik jouw vuller moet gaan redden van een onbewoond eiland. Dan moet mijn hond even wachten en trek ik de wereld in. Opzoek naar de schrijver. Mijn verloren kapitein, mijn Robinson, mijn zeeheld die levend op een beperkt aantal vierkante meters wacht op zijn redding door mij, zijn droomprinses, zijn sirene. Jaren zit hij er al. Hij is vuil en kan een bad en een degelijke knip en scheerbeurt goed gebruiken. Ik kijk door al zijn wilde haren heen. Ik zie wie hij echt is. Woest aantrekkelijk. Gebruind door jaren in de zon en gespierd door zijn gevecht met de natuur. Met één stoot spietst hij tien vissen aan zijn speer. Hij bakt ze en serveert ze met een salade van verse kokosnoot en banaan. Samen zullen we hier van smullen, tot ik hem, met een vriendelijk ‘kom je mee’, terugbreng naar de bewoonde wereld. Mijn wereld. Een wereld waar hij zich eerst nog wat onwennig, maar later met steeds meer overgave, in stort. Hij heeft het gevoel dat hij jaren in moet halen. Jaren van eenzaamheid, jaren van onzekerheid. Verloren jaren. Nu ik hem gevonden heb, hervind hij zichzelf. Niet langer alleen op een onbewoond eiland, maar samen met mij en mijn hond.

Ik snel over het pad terug naar huis. Mijn hond rent dartel om me heen. Ze is zich nog niet bewust van dat wat komen gaat. Ik wel. Ik weet dat ons leven voorgoed veranderen zal nu jij, mijn fles, in mijn bezit bent. Mijn leven zal nooit meer zijn zoals het was. Ik voel het aan alles. Ik ben blij dat je er bent, al moet ik eerlijk bekennen dat ik je wel wat eerder had verwacht. Een decennium of twee, drie, misschien zelfs vier. Ja, dat zou een stuk beter zijn geweest. Toen had ik immers nog alle tijd en stond ik nog aan het begin. Nu is het grootste deel al achter de rug. Niet dat ik me daardoor laat tegenhouden, maar toch. Ik wil het even gezegd hebben. Vat het vooral niet persoonlijk op. Het ligt aan mij, de tijd en misschien ook wel aan de stroming van het water. De zoute zee die je, steeds als je bijna bij me was, met een golfslag of onderstroom weer van me weg spoelde. Weg van de branding en het strand, terug naar de grote oceaan. Misschien ging je wel drie keer de wereld rond voordat je hier aan land ging en in mijn zak en straks geopend bij mij thuis je reis beëindigde. Met mijn vingers voel ik vlug of je er nog bent. Ja, gelukkig. Nu ik je eenmaal heb laat ik je niet meer gaan.

Daar staat mijn huis. Ik loop het pad op, ga het hek door, maak mijn hond los en dan ben ik binnen. Ik haal je voorzichtig uit mijn zak en zet je op het aanrecht. Je buitenkant zit vol zand en van binnen ben je aangeslagen met condens. Met een borsteltje boen ik je voorzichtig schoon. Dan draai ik, het gaat wat stroef, met een paar krachtige slagen je dop los. Ooit las ik in een boek dat het cruciale moment nu is aangebroken. Onwetende mensen beginnen namelijk gelijk aan je te trekken en te schudden. Daarbij alle kans lopend dat ze je boodschap, nog voordat ze gelezen kan worden, vernietigen. Papier en hals zijn immers nog nat en dat geeft frictie. Jullie hebben jaren samen over zee gezworven. Het afscheid valt zwaar en moet zeer voorzichtig worden uitgevoerd. Iets wat alleen maar kan worden bewerkstelligd door jullie nog een aantal laatste uren samen te gunnen. Nu niet meer in het koude en natte water, maar droog boven op de verwarming. Hoewel lastig, want oh wat verlang ik naar je boodschap, laat ik je met rust en ga met de krant in mijn hand naast je zitten.

Het eerste uur kom ik wonderwel en zonder al te grote ongemakken door. Jij ligt te drogen en ik lees in de krant. Weliswaar enkel letters en niet de boodschap, maar ik heb wat om handen en word niet constant en voortdurend aan jou herinnerd. Het tweede uur wordt al wat lastiger, terwijl het derde en het vierde uur aanvoelen als pure kwelling. Wanneer ben je droog genoeg? Wanneer mag ik je boodschap lezen? Waar zal je me heen sturen? Welke avonturen zal ik beleven? En, misschien wel de belangrijkste vraag, zal hij van me houden? Ik houd mezelf voor dat een paar uur in een mensenleven in een oogwenk voorbij zijn en dat ik de vrouw die al een paar decennia wacht heus niet slechter zal worden van nog wat meer geduld. Wat een leugens. Deze uren maken alle verschil. Ik verschrompel, word zenuwachtig, bij tijd en wijle lacherig, dan weer boos en opstandig. IK WIL WETEN WAT JE TE ZEGGEN HEBT! Ik vergeet mijn hond. Ik vergeet mijn huis. Ik vergeet mijn leven en denk enkel nog aan jou.

Ergens in het vijfde uur geef ik het op. Ik pak je van de verwarming. Bekijk je en trek en schud lang en hard. Ik duw mijn vinger bij je naar binnen en woel en voel net zolang tot ik een puntje papier te pakken heb. Ik druk het met kracht tegen je binnenkant en wurm, met draaiende bewegingen, het papier door je hals naar buiten. Daar is het dan. Jouw boodschap aan mij. Het begin van later, my life saver, mijn toekomst met hem. De man die mij, via jouw, zijn coördinaten door zal geven. Nu zal het niet lang meer duren voor ik hem in mijn armen kan sluiten. Hand in hand zullen we op het strand staan en bij het ondergaan van de zon zal hij tegen me zeggen: ‘Liefste, ik heb op je gewacht. Ik wist wel dat je me zou vinden.’ Waarop ik zal antwoorden: ‘Kwestie van geduld en heel veel wandelingen langs het strand.’

Posted in Verhalen | Leave a comment

Paallopen

16. Paallopen

Waar een mens nooit te oud voor is, is het lopen op palen. Hoewel het in zijn algemeenheid vooral door kinderen wordt gedaan zijn er ook volwassen mensen die er hun beroep van hebben gemaakt. Steltlopers noemen ze zich. Van die veel te lange mensen die zowel in het circus als tijdens straatfestivals opduiken om over de hoofden van mensen heen te kunnen lopen. Niet letterlijk natuurlijk, maar figuurlijk. Ze steken boven iedereen uit en banen zich een weg naar… elders. Over deze steltlopers wil ik het hier helemaal niet hebben. Vergeet dus maar snel dat ik iets over ze schreef. Er is namelijk een wezenlijk verschil tussen deze steltlopers die gaan en staan waar ze maar willen en de paallopers uit mijn verhaal. En dat zit hem in het nutteloze. Het absolute zinloze, maar wel ontzettend leuke, van het op palen lopen, maar nergens naar toe kunnen en enkel daar kunnen lopen waar de palen zijn. Je weet wel van die houten palen die je soms zomaar willekeurig, maar meestal met precisie en accuratesse neergezet, in de buitenwereld tegenkomt. Soms blokkeren ze iets, soms markeren ze iets en op momenten breken ze iets. Een golfslag bijvoorbeeld of je bumper, als je ze bij het achteruit rijden even niet in de gaten had. Over de golfbrekers wil ik het graag hebben. Dit zijn namelijk de leukste palen om over te lopen.

Toen Annelies klein was ging ze regelmatig met papa en mama naar het strand. Papa en mama kwamen er vooral om te wandelen. Even lekker uitwaaien noemden ze dat. Maar Annelies had een hele andere reden. Ze wilde paallopen. Met mooi weer, laag water en weinig wind kon en mocht ze het inmiddels al helemaal alleen. Papa en mama keken dan van een afstandje toe en riepen dingen als ‘doe je voorzichtig’, ‘houd je je goed vast’ en ‘op de lage palen blijven hè’. Met de lage palen bedoelde ze de paaltjes helemaal bij de duinen. Daar waren de paaltjes nog klein en kon Annelies er zonder hulp bovenop klimmen om met grote stappen 1, 2, 3 paaltjes verder te lopen, dan weer om te keren en over 1, 2, 3 paaltjes terug te lopen naar het begin. Heel soms, als papa en mama, niet goed opletten, liep ze ook nog over een 4e en 5e paaltje. Verder durfde ze nog niet. Tenminste niet alleen. Aan de hand van papa was het anders. Dan durfde ze helemaal tot het einde van de rij. Tot vlak bij het water.

‘Wie het eerste heen en terug is’, zei Jos tegen Erik. De tweeling Jos en Erik waren een middagje op het strand. Na eerst een groot gat te hebben gegraven, waterwerken te hebben gebouwd en achter zeemeeuwen aan te hebben gerend, storten ze zich nu op de palen. Een deel van de palen stond, daar het vloed aan het worden was, inmiddels in het water. Extra aantrekkelijk dus om te kijken wie van de twee het beste en het snelste lopen kon. Aan gevaar of glibberig en nat dachten ze niet. En waarom zouden ze ook. Ze zouden niet de eersten en zeker niet de laatsten zijn die hetzelfde kunstje zouden flikken.

Tanja ademde diep in, blies uit en ging op 1 been staan. Niet zomaar ergens, maar bovenop een paal. Ze wilde haar evenwicht leren bewaren. En waar kan je dat het beste doen dan… juist bovenop een golfbreker. Hier zou ze de komende tien minuten staan. Eerst vijf minuten op haar linker been en dan vijf minuten op haar rechterbeen. Wat ze daarna zou doen? Ze wist het nog niet. Maar, zo dacht ze, grote kans dat ze dan nog even wat heen en weer zou lopen. Tenslotte nu ze toch bovenop een paal stond, was dat wel het minste wat ze kon doen.

Ook ik liep altijd met plezier over de palen. Hoewel ik mezelf niet te oud acht om het niet meer te doen, deed ik het toch al jaren niet meer. Waarom? Om de simpele reden dat ik al heel lang niet meer op het strand ben geweest. De keren dat ik er wel was, tja dan was er eigenlijk altijd wel iets te verzinnen waarom ik het niet zou doen. De volgende keer dat ik er ben dan… dan zal ik toch ook nog maar eens een loopje wagen. Doodeng waarschijnlijk, want met het toenemen der jaren neemt helaas de angst om te vallen ook toe. Gek eigenlijk, want waarom zou je bang zijn voor iets wat je vroeger ook kon? De palen zijn niet veranderd. De lol en het avontuur zijn dezelfde gebleven. Paallopen dus. Ik ben benieuwd.

Posted in Verhalen | Leave a comment