De toeristische route

30. Bus

“Weet jij een beetje de weg hier?”
“Pardon”, vraag ik.
“Of je de weg weet. De weg naar Amersfoort.”
“Nou, eh, ik kom hier met enige regelmaat. Ik zou het dus wel ongeveer moeten weten, maar eh…”
“Als jij dan daar gaat zitten, dan zeg je me hoe ik moet oké?”
Nadat ik heb ingecheckt ga ik een beetje beduusd op de stoel vlak achter de chauffeur zitten. Ik ben net in bus 252 gestapt en ben op weg naar huis. Ik heb een drukke dag achter de rug. Ik had een aantal vergaderingen, mijn secretaresse was eerder naar huis gegaan waardoor ik genoodzaakt was om zelf opzoek te gaan naar een werkende printer toen de mijne vastliep, ik was mijn baas tegen het lijf gelopen en had met hem even (althans zo noemde hij het) het afgelopen kwartaal en het komende kwartaal door gelopen, en had duizend en één andere zaken gedaan die per se vandaag gebeuren moesten. Al bij al een drukke dag. Ik had er dan ook naar uit gekeken om de komende twintig minuten even rustig uit het raam te staren, maar kennelijk mocht dat niet zo zijn. Ik had een taak. Ik moest fungeren als Tomtom. Eerlijk gezegd is het me een raadsel waarom juist ik deze taak toebedeeld had gekregen. Er zaten namelijk nog meer mensen in de bus. En waarom weet de buschauffeur het eigenlijk niet zelf? Hij is hier toch degene die hier dagelijks zijn route reed?
“Ik moet onverwachts invallen voor een collega”, zegt de chauffeur van over zijn schouder. “Het eerste stuk van de route kende ik wel, maar hier kom ik eigenlijk nooit.”
“Ah ha”, antwoord ik. Dat kan natuurlijk gebeuren.
“Ja”, zucht de chauffeur. “Ik had het graag anders gezien, want eigenlijk was ik nu al vrij geweest. Maar ja het is een collega hè. En je hoopt dat als je zelf eens wat hebt dat een ander dan ook je dienst overneemt. Daar ben je collega’s voor. Toch?”
“De route is niet echt ingewikkeld”, antwoord ik geruststellend. “We gaan zo eerst Soesterberg in en dan rechtstreeks door naar het station in Amersfoort. We zijn er zo.”
Ik kijk achterom. Een meisje met een rode jas knikt me vriendelijk toe. De rest van de passagiers kijkt stoïcijns voor zich uit. Zouden ze weten wat er aan de hand is? Of zijn ze te druk bezig met hun eigen gedachten?
“Moeten we hier naar rechts”, hoor ik de chauffeur vragen.
“Als we bij de afslag Soesterberg zijn dan ja”, zeg ik en terwijl ik weer naar voren kijk voel ik dat de bus zijn draai inzet. Te laat zie ik dat dit hoewel het een afslag is naar Soesterberg het niet de goede afslag is.
“Oh”, zeg ik verschrikt. “Het is niet de goede.”
“Niet de goede?”
“Nee, er zijn er een paar. Maar dat is niet erg hoor. Als we nu zo de eerste links nemen dan rijden we door de dorpstraat naar het Zwaantje. Dan komen we weliswaar uit aan de verkeerde kant, maar dat is niet zo erg denk ik.”
“Ik dacht dat jij de weg wist”, zegt de chauffeur ietwat witjes.
“Ja dat is ook wel zo, maar…”
“Weet je zeker dat je de weg weet?”
“Ja, dat zeg ik toch.”
De dorpstraat is krap, maar gelukkig niet te krap. Je ziet de mensen op straat kijken en denken wat doen die hier? Alsof ze nog nooit een bus hebben gezien. Zo bijzonder zijn we toch niet? En als ze allemaal even op hun tenen letten dan komt het vast goed.
“Hier links”, zeg ik net een fractie te laat, omdat ik mijn gedachten even liet gaan.
De chauffeur trapt op de rem.
“Kijk het Zwaantje”, wijs ik. “Hier moeten we eraf en dan meteen stoppen, want daar om de bocht is de halte. Weliswaar aan de andere kant van de weg, maar hij is er.”
Er staat een meneer bij de halte. Hij kijkt wat verward. Is dit zijn bus? Vanuit een ooghoek zie ik het meisje met de rode jas wenken. De man ziet het, steekt over en stapt in.
“U gaat naar Amersfoort”, vraagt hij.
“Ja”, zeggen de chauffeur en ik tegelijkertijd. “We gaan naar Amersfoort. Neemt u gerust plaats.”
“Omdat u normaal vanaf de andere kant komt, dacht ik…”
“We nemen vandaag de toeristische route”, hoor ik achter me. Het is het meisje met de rode jas. “Leuk hoor.”
Ik kijk om en glimlach.
“Gaan we weer verder”, vraagt ze.
“Ja, zeg maar hoe”, antwoord de chauffeur.
“Officieel zouden we moeten keren”, zeg ik.
“Zullen we dat maar niet doen”, zegt de chauffeur. “Het is hier niet zo heel erg ruim.”
“Nee laten we dat inderdaad maar niet doen.”
“Als je nu rechtdoor rijdt en dan bij het stoplicht naar rechts gaat dan gaan we ook goed”, zegt de man die net is ingestapt.
“Dan doen we dat”, zeg ik blij met de oplossing.
“Oké daar gaan we.”
We zijn weer op pad. Voor ons een lange straat. We moeten rechtdoor tot aan de rotonde. Ik zeg het tegen de chauffeur en probeer hem gerust te stellen door aan te geven dat er nu echt niks fout kan gaan, zolang hij maar rechtdoor gaat. We doen het, maar bij elke mogelijke afslag voel ik dat we iets afremmen.
“Nee, nog rechtdoor zeg ik.”
“Rechtdoor?”
“Ja, gewoon rechtdoor. Het gaat goed zo. Almaar verder. Ja ook hier.”
“Hier eraf?”
“Nee rechtdoor.”
“En hier.”
“Nee.”
Ik kijk nog eens achterom. Inmiddels lijken de meeste passagiers door te hebben dat dit niet zomaar een rit is. Of ze er allemaal even blij mee zijn vraag ik me af. Ik kan me voorstellen dat men zich afvraagt of dit wel goed komt. Toch zie ik overwegend lachende gezichten en ontmoet ik bemoedigende blikken. Bij de rotonde gaan we op mijn verzoek driekwart rond. Dat is goed. Ik weet het zeker. Ook bij de volgende rotonde moeten we driekwart. Ik zeg het. De chauffeur herhaalt het. Stuurt, draait en slaat vervolgens al bij de tweede afslag af.
“Site seeing!” Hoor ik het meisje met de rode jas zeggen. “Leuk!”
Voorzichtig vertel ik de chauffeur dat we weer fout zitten. We hadden driekwart rond gemoeten net. Maar als ik zo naar de huizen kijk dan hebben we dat niet gedaan. We zijn er bijna hoor, maar nog net niet helemaal.
“Het is niet mijn dag”, zegt de chauffeur.
“Nee het is niet je route”, zeg ik.
“Dat ook.”
“Als we hier ergens naar links kunnen dan zijn we er zo hoor”, zeg ik.
Hobbelend en bobbelend rijden we verder. Om dan tot onze schrik te moeten constateren dat er nergens een links is. Nog erger aan het einde van de weg moeten we verplicht naar rechts in verband met een één richtingsbordje. We dwalen af. Rijden noodgedwongen steeds verder en verder weg. Totdat…
“Hier mag het!” Klinkt het van achter me. Het meisje met de rode jas wijst opgewonden. “Hier kunnen we erin.”
En ja, we kunnen afslaan. Een hele opluchting, want nu rijden we tenminste weer aan op, in plaats van weg van. Nu komt het goed en wel helemaal, want na nog een bocht en een stoplicht zijn we er.
“We zijn er”, zeg ik tegen de chauffeur. “Ik weet niet of je dezelfde route nog terug moet, maar dan moet het dus eigenlijk ietsje anders.”
“Dat begrijp ik”, zegt de chauffeur. “Ik zal het wel aan iemand vragen. Wie weet waar we dan uitkomen. Bedankt voor de hulp en fijne avond nog!”

This entry was posted in Verhalen. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>