Toeristische route naar IJsland

Mijn verhaal ‘De toeristische route’ gisteren in een ietwat aangepaste versie ingezonden als waanzinnig verhaal voor de Boekenweekwedstrijd 2015. Het verhaal is terug te lezen op de site van Nederland Schrijft. De winnaars winnen een reis naar IJsland samen met Ronald Giphart. Sight seeing. Het zou leuk zijn!

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Oud en Nieuw spel 2014: De Geluksruiker

Gelukkig Nieuwjaar

Dramatisch Personae
Jikke = eigenaresse bloemenkraam Onder de Linde
Tjacob = boekhouder met betrekking tot de cijfertjes en de bestellingen
Aus = verkouden klant

Locatie
Bloemenkraam Onder de Linde op de grote markt

Tijd
Oudejaarsavond (net voor sluitingstijd)

Scene

Het loopt tegen sluitingstijd. Jikke schikt en herschikt, snuffelt aan een ruikertje en doet wat men doorgaans doet in een bloemenkraam waar op dat moment geen klanten zijn. Zo nu en dan roept ze iets naar achteren, alwaar Tjacob bezig is met de boekhouding.

Jikke: Tjacob zet je op het lijstje dat we volgend jaar wat extra pioenrozen moeten bestellen?

Ze gaat door met…

Jikke: En de amaryllissen zijn ook bijna op. Zet dat er even bij wil je?

En…

Jikke: Oh, en wil je me eraan herinneren dat ik straks…

Dan rinkelt plots de deurbel. In de deuropening verschijnt Aus. Hij hoest en hij proest wat, schudt de sneeuwvlokken van zich af en stapt op Jikke af.

Aus: Goedenavond mevrouw. U bent nog open?
Jikke: Ja hoor. U bent nog op tijd.
Aus: Gelukkig.
Jikke: Dat valt nog te bezien natuurlijk.
Aus: Pardon?
Jikke: U zei gelukkig. Ik neem aan dat dit sloeg op het feit dat ik u eventueel kan helpen aan iets?.. Of niet? Het ging u niet zozeer om het gegeven dat ik open ben toch? Tenslotte ben ik dat met uitzondering van zon- en feestdagen eigenlijk iedere dag wel.
Aus: Juist ja. Ik… nou… eigenlijk (hij kucht) sloeg het op beide onderdelen.
Jikke: Ja, dat kan natuurlijk ook.
Aus: Ja.
Jikke: Rest nog de grote vraag. Wat kan ik voor u doen?
Aus: Ik zoek iets om cadeau te geven.
Jikke: Dan bent u hier aan het juiste adres meneer. Wat had u in gedachten? Een bloemetje misschien? (ze lacht)
Aus: (lacht schaapachtig mee) Het is… ik dacht… eigenlijk…alles is nog mogelijk (hij kucht). Ik eh…
Jikke: Voor een boeket, een ruikertje of gewoon een bosje bloemen bent u hier aan het goede adres, maar voor de rest moet u naar elders.
Aus: Vanzelfsprekend. Ik bedoel…
Jikke: En met enige haast ook dunkt me, want voor u het weet is alles gesloten.
Aus: Ja, ik weet het. Ik weet het. Maar dat is het ‘em nou juist. Ik weet het niet.
Jikke: U weet het niet?
Aus: Nee. Ik weet niet wat ik cadeau moet doen.
Jikke: Maar u bent toch op pad gegaan met een zeker plan? Of…
Aus: (hij kucht) Om u de waarheid te zeggen, nee eigenlijk niet.
Jikke: En toen kwam u hier? Bij mij?
Aus: Ja… Ik bedoel… (hij kucht). Het schoot me ineens te binnen dat ik nog een cadeau moest kopen. En toen ging ik, vanwege de tijd, meteen op pad. Geen doordacht plan dus. Geen ideeën. Gewoon pats boem. En uw bloemenkraam was de eerste winkel die ik tegenkwam.
Jikke: Nou dat treft. Voor mij dan hè.
Aus: Sorry?
Jikke: U trof mij. En dat is mooi, want ik kan best nog een laatste klant gebruiken.
Aus: Oh (hij kucht).
Jikke: Kijk anders even rond. Wie weet dat u iets ziet wat u dan weer treft. Het zou zomaar kunnen toch?
Aus: Denkt u?
Jikke: Natuurlijk. Er is hier van alles. Op bloemengebied dan.

Aus zet voorzichtig een paar stappen in de richting van de bloemen.

Jikke: Kijkt u maar gerust hoor. Ze bijten niet.

Aus zet nog een paar stappen en krijgt dan een enorme hoest en niesbui. Tjacob komt van achter de bloemenkraam ingelopen.

Tjacob: Ben jij dat Jikke? Gaat alles wel goed?

Tjacob ziet Aus bij de bloemen staan.

Tjacob: Oh, excuus ik had u niet gezien. Allergische reactie?
Aus: Nee, nee. Ik ben gewoon verkouden. Te weinig vitamines gegeten (lacht deerniswekkend). En de laatste dagen is het zo koud buiten.
Tjacob: Tja, het is de tijd van het jaar hè. Dan krijg je dat.
Aus: Ja.
Tjacob: U werd al geholpen?
Aus: Ja hoor… eh prima… door mevrouw (hij kucht, haalt dan een schone zakdoek uit zijn zak en snuit er beschaafd c.q. beschaamd zijn neus in)… Ik moet er alleen nog even over nadenken.
Tjacob: Dat mag. Dat mag. Al zeg ik altijd een bloem is een bloem en meer kan je er niet van maken.
Aus: Denkt u?
Tjacob: Ja. Ik bedoel. We hebben ze hier het hele jaar. Het ene seizoen de ene, het andere seizoen de andere. Maar uiteindelijk belanden ze allemaal in een vaas met water. En dan…
Aus: Ja?
Tjacob: En dan vergaan ze.
Jikke: Tjacob!
Tjacob: Het is toch zo? Meneer hier ziet eruit als een redelijk denkend mens. Die mag dat toch weten?
Jikke: Tjacob. Het is de bedoeling dat we de bloemen verkopen aan meneer. Niet dat hij hard wegrent.
Aus: Nou…. eh…
Jikke: Wees gerust hoor meneer. Als u nu een bosje bloemen koopt staan ze nog zeker een week.
Aus: Ik…
Jikke: Maar voor wie zoekt u eigenlijk als ik vragen mag? Daar hebben we het nog helemaal niet over gehad.
Aus: Ik…
Jikke: We hebben iets voor iedereen en voor elke gelegenheid. Is het niet Tjacob? (kijkt Tjacob vernietigend aan).
Tjacob: Tja, jazeker. Zo is het.
Jikke: Dus voor wie mag het zijn?
Aus: Voor Lotje en Karel. Mijn (hij kucht) buren.
Jikke: Uw buren?
Aus: Ja. Ik ga morgen naar ze toe. Om ze een goed nieuw jaar te wensen ziet u. En toen bedacht ik dat het dan wel zo gepast is om ze iets cadeau te doen.
Tjacob: Zijn uw wensen niet genoeg?
Aus: Nou… ik dacht. Ze kunnen wel wat aardigheid gebruiken.
Tjacob: Geldt dat niet voor iedereen?
Aus: Eh ja…, maar… Ze hebben het niet zo makkelijk ziet u. Mijn buren.
Jikke: En daarom wilt u ze verrassen?
Aus: Ja. Al hebben ze me uitgenodigd. Dus op zich is het niet zo verrassend dat ik kom.
Jikke: Maar dat u iets meebrengt dan toch?
Aus: Juist. Alleen het probleem is dus wat? Ik kan toch niet zomaar “zomaar” iets kopen. Ik bedoel. Er moet toch een gedachte achter zitten? Ik bedoel. Ik geef mijn vriendin altijd chocolaatjes. Witte, want daar houdt ze zo van. En mijn moeder, mijn moeder krijgt altijd iets van Max Havelaar, want zo verras ik niet alleen haar, maar steun ik ook de arme boer in… (hij kucht) Nou ja waar ze dan ook zitten. En dat vindt mijn moeder dan weer plezierig. Mijn vrienden zijn mijn vrienden en ja die geef ik eigenlijk altijd gewoon waar ze om vragen. Wel zo makkelijk. Maar mijn buren. Zie, ze vroegen niets en ik weet ook niet of ze van eerlijke producten of witte chocolade houden. Eigenlijk weet ik helemaal niks van ze.
Tjacob: Behalve dan van dat makkelijke.
Aus: Hè?
Tjacob: Dat ze het niet makkelijk hebben. Dat weet u.
Aus: Ja. Niet makkelijk nee. Maar dat is het dan ook wel.
Tjacob: Dan is het toch heel gemakkelijk? Dan kunt u toch alles geven? Alles wat het leven een stukje makkelijker maakt. Wat het mooier maakt? Gelukkiger?
Jikke: Bloemen dus!
Aus: Bloemen?
Jikke: Ja, bloemen. We noemen ze ook wel geluksruikers weet u.
Tjacob: En dat is precies wat uw buren nodig hebben toch?
Aus: Geluk? Ja. Ja, dat hebben ze nodig. Maar ehm… (hij kucht) hoe zit dat dan met dat vergaan? Dat is dan toch weer wat ongelukkig niet?
Jikke: Nou, zo zou ik het niet noemen. Ze staan toch eerst prachtig? En daar wordt een mens gelukkig van.
Aus: Ik weet het niet.
Tjacob: Wellicht is iets met wortels meer geschikt?
Jikke: Iets dat blijft groeien?
Tjacob: Juist ja. Iets in een pot. Iets dat nog even mee kan.
Aus: Dat zou mooi zijn.
Tjacob: Dan is het geluk meteen niet meer tijdelijk, maar blijvend zo gezegd.
Aus: Als dat kan. Dan (hij kucht)…
Tjacob: Natuurlijk kan dat.
Aus: Of… en… ja misschien is dit helemaal raar (hij kucht). Maar ehm… heeft u ook iets dat nog helemaal moet komen? Iets met potentie tot geluk? Iets dat eerst niet was, maar dat langzaam groter en groter wordt?

Jikke en Tjacob kijken elkaar aan en roepen dan enthousiast door elkaar.

Tjacob: Bollen!
Jikke: Zaadjes!
Aus: Ja! Ja, dat bedoel ik. Iets dat je in de aarde doet en dat dan met wat geduld uitgroeit tot iets betoverends. Zou dat niet mooi zijn?
Jikke: Heel mooi.
Aus: Maar dan… ehm… moet het wel iets zijn dat met zekerheid slagen gaat. Het moet niet zo zijn dat het te moeilijk is. Te moeilijk in onderhoud bedoel ik dan. Iets met gewoon één keer in de week water en verder niks. Niet te vermoeiend. Niet te lastig. Begrijpt u?
Tjacob: Iets met 100 procent slagingskans?
Aus: Ja! Dat wil ik.
Jikke: Dat kan.
Aus: Echt?
Jikke: Natuurlijk.
Tjacob: Of althans voor 99,9 procent dan. Er is altijd een ieniemienie kans dat het mis gaat.
Jikke: Maar als u dat er nou gewoon niet bij vertelt, hè Tjacob, dan geloven uw buren dat het sowieso goed komt en dan doet het dat ook. Wacht maar even. Ik denk dat ik precies heb wat u zoekt. Als u een momentje heeft haal ik het voor u.
Aus: Ik wacht.

Jikke loopt naar achteren en laat Aus en Tjacob alleen achter.

Tjacob: Zo. Fijn dat u eruit bent. Of althans u bent nu nog binnen, maar gaat er straks uit met het cadeau dat u zocht. Gaat u dan weer terug naar huis of gaat u nog verder?
Aus: Nee, ik ga weer naar huis (hij kucht). De jaarwisseling vieren in huiselijke kring.
Tjacob: Heerlijk vooruitzicht.
Aus: Meer iets om bij terug te kijken. Op het afgelopen jaar bedoel ik dan.
Tjacob: Dat ook. Ja.

Dan kom Jikke weer terug met een klein doosje in haar hand.

Jikke: Kijkt u eens. Ik vond het. Zal ik het voor u inpakken?
Aus: Als u dat zou willen doen heel graag.

Jikke gaat achter de toonbank staan en pakt het pakje in.

Jikke: Dat is dan 2,49 alstublieft.

Aus betaald en neemt het pakje in ontvangst.

Jikke: Er zit een gebruiksaanwijzing bij. Zo weten uw buren precies wat ze moeten doen.
Aus: Fijn.
Jikke: Fijne jaarwisseling.
Aus: U ook. U beide. En hartelijk dank hoor.
Tjacob: Tot ziens.

Aus verlaat de winkel.

Tjacob: Wat heb je hem nou gegeven?
Jikke: Geluksklaverzaadjes. Meer geluk kun je niet krijgen toch?
Tjacob: Gelijk heb je. Gelijk heb je.

Einde

Posted in Toneelteksten | Leave a comment

PiBoIdMo

Ik doe mee met de Picture Book Idea Month

piboidmo2014officialparticipant

Laat de inspiratie maar komen!

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Het stemmen van de Tellen, deel 7

32. Mopperen

Door al wat ik tot nu toe schreef lijkt het wellicht het geval te zijn dat iedereen met plezier en verlangen uitkeek naar de bijeenkomst van  alle Tellen. Niets is echter minder waar. Er waren wel degelijk Tellen, of beter gezegd één Tel in zijn algemeenheid, die tegen de bijeenkomst opzag en, die na een tirade van heb ik jou daar tegen de postbode die na het afleveren van de uitnodiging zelfs op kilometers verre afstand nog kon horen dat de ontvanger niet blij was met zijn bezoek, overwoog om niet aan alle poespas en ellende mee te doen. Niet zozeer, omdat hij zelf geen woordje had te spreken, maar omdat hij geen hoge dunk op had van het geheel en verwachtte dat er toch nooit iets goeds van kon komen als alles en iedereen bij elkaar kwam. Ik heb het hier over Wilhelmes Tel. Een al wat oudere Tel die, laat ik het op een bescheiden wijze uitdrukken, weliswaar nog in leven was, maar die eigenlijk behoorde tot de generatie van weleer en die er derhalve beter aan had gedaan om in die tijden te blijven. Wilhelmes Tel was, om het beleefd te zeggen,  van vergane glorie en zou nooit en te nimmer meer van deze tijd zijn.  Dat wist hij, dat voelde hij en dat werd ook met enige regelmaat, op iets andere wijze dan dat ik het zojuist voor u opschreef, tegen hem gezegd. Normaliter kunnen Tellen van vroegere generaties rekenen op enige dunk en hoogachting, maar  Wilhelmes Tel was op zodanige wijze over de datum dat enige eerbied al lang geleden over was gegaan in depreciatie. Een gevoel dat overigens wederzijds was.

Wilhelmes Tel  had namelijk van kindsbeen af aan een grondige hekel en misnoegen gehad voor alles en iedereen die jonger en hipper was dan hij. In zijn kinderjaren was dit nog enigszins behapbaar geweest, omdat de meeste Tellen toen nog ouder waren dan hij, maar naarmate hij groter werd en de jaren verstreken waren er steeds meer en meer gekomen waarvan hij, om het netjes te verwoorden, geen hoge pet op had. Nou is dat op zich nog niet zo erg, maar het nare was dat Wilhelmes Tel het niet na liet om regelmatig in boos gemopper los te barsten. Nou was ook dit op zich niet zo erg geweest als hij het mopperen binnenshuis had gedaan, op een zacht volume en niet in het bijzijn van anderen. Hier ging het echter mis. Wilhelmes Tel mopperde namelijk buiten, in het openbaar en op een zodanig geluidsniveau dat het los van enig omgevingsgeluid leek alsof hij met zijn scherpe stem door de stilte sneed. Alles maar dan ook alles werd overstemd en niet zo’n beetje ook. Altijd was er wel iets op te merken of te klagen. Altijd was er wel iets te knorren of te zaniken. En nooit, maar dan ook nooit was er iets goed. Wilhelmes Tel begreep niet waar anderen het genoegen vandaan haalden om met elkaar om te gaan. Het waren rare snuiters en niet meer dan dat. De Tellen uit de buurt begrepen op hun beurt niet waarom Wilhelmes Tel altijd zo, nou ja, zo deed zo als hij deed en ze probeerden in den beginne nog weleens om met Wilhelmes Tel van gedachten te wisselen om hem van gedachten te laten veranderen of in ieder geval van zijn manier van doen. Wellicht denkt u nu beste lezer gewoon negeren dan gaat het wel over, maar helaas het ging niet over. Een betreurenswaardige impasse ontstond waarbij de Tellen die in de buurt van Wilhelmes Tel woonden uiteindelijk weinig anders restten dan terug schreeuwen of verhuizen. Iets wat massaal werd gedaan.

Kortom en met andere woorden. Wilhelmes Tel was het niet eens met de wereld en de wereld niet met hem. Geen wonder dus dat de uitnodiging bij hem niet in goede aarde viel en niet met vreugde werd ontvangen. Want van een bijeenkomst zoals nu op stapel stond, kon volgens Wilhelmes Tel nooit iets goeds terecht komen en waarom zou hij de moeite nemen om er met zijn aanwezigheid nog enigszins iets goeds van proberen te maken als er niets goeds te zeggen was over iedereen die aanwezig zou zijn, met uitzondering van hemzelf natuurlijk.

Posted in Verhalen | Leave a comment

Plons

31. Plons

“Wat er plonst”, vroeg ze mij
Ik keek haar aan en zei
“Er plonst water in de wei”

Met een vaart in de sloot
Met mijn beide benen bloot
Net te ver en iets te groot

“Wat er plonst”, zei ze mij
Na die gênante averij
“Wat er plonst dat ben jij”

“Tja”

Posted in Gedichten | Leave a comment

De toeristische route

30. Bus

“Weet jij een beetje de weg hier?”
“Pardon”, vraag ik.
“Of je de weg weet. De weg naar Amersfoort.”
“Nou, eh, ik kom hier met enige regelmaat. Ik zou het dus wel ongeveer moeten weten, maar eh…”
“Als jij dan daar gaat zitten, dan zeg je me hoe ik moet oké?”
Nadat ik heb ingecheckt ga ik een beetje beduusd op de stoel vlak achter de chauffeur zitten. Ik ben net in bus 252 gestapt en ben op weg naar huis. Ik heb een drukke dag achter de rug. Ik had een aantal vergaderingen, mijn secretaresse was eerder naar huis gegaan waardoor ik genoodzaakt was om zelf opzoek te gaan naar een werkende printer toen de mijne vastliep, ik was mijn baas tegen het lijf gelopen en had met hem even (althans zo noemde hij het) het afgelopen kwartaal en het komende kwartaal door gelopen, en had duizend en één andere zaken gedaan die per se vandaag gebeuren moesten. Al bij al een drukke dag. Ik had er dan ook naar uit gekeken om de komende twintig minuten even rustig uit het raam te staren, maar kennelijk mocht dat niet zo zijn. Ik had een taak. Ik moest fungeren als Tomtom. Eerlijk gezegd is het me een raadsel waarom juist ik deze taak toebedeeld had gekregen. Er zaten namelijk nog meer mensen in de bus. En waarom weet de buschauffeur het eigenlijk niet zelf? Hij is hier toch degene die hier dagelijks zijn route reed?
“Ik moet onverwachts invallen voor een collega”, zegt de chauffeur van over zijn schouder. “Het eerste stuk van de route kende ik wel, maar hier kom ik eigenlijk nooit.”
“Ah ha”, antwoord ik. Dat kan natuurlijk gebeuren.
“Ja”, zucht de chauffeur. “Ik had het graag anders gezien, want eigenlijk was ik nu al vrij geweest. Maar ja het is een collega hè. En je hoopt dat als je zelf eens wat hebt dat een ander dan ook je dienst overneemt. Daar ben je collega’s voor. Toch?”
“De route is niet echt ingewikkeld”, antwoord ik geruststellend. “We gaan zo eerst Soesterberg in en dan rechtstreeks door naar het station in Amersfoort. We zijn er zo.”
Ik kijk achterom. Een meisje met een rode jas knikt me vriendelijk toe. De rest van de passagiers kijkt stoïcijns voor zich uit. Zouden ze weten wat er aan de hand is? Of zijn ze te druk bezig met hun eigen gedachten?
“Moeten we hier naar rechts”, hoor ik de chauffeur vragen.
“Als we bij de afslag Soesterberg zijn dan ja”, zeg ik en terwijl ik weer naar voren kijk voel ik dat de bus zijn draai inzet. Te laat zie ik dat dit hoewel het een afslag is naar Soesterberg het niet de goede afslag is.
“Oh”, zeg ik verschrikt. “Het is niet de goede.”
“Niet de goede?”
“Nee, er zijn er een paar. Maar dat is niet erg hoor. Als we nu zo de eerste links nemen dan rijden we door de dorpstraat naar het Zwaantje. Dan komen we weliswaar uit aan de verkeerde kant, maar dat is niet zo erg denk ik.”
“Ik dacht dat jij de weg wist”, zegt de chauffeur ietwat witjes.
“Ja dat is ook wel zo, maar…”
“Weet je zeker dat je de weg weet?”
“Ja, dat zeg ik toch.”
De dorpstraat is krap, maar gelukkig niet te krap. Je ziet de mensen op straat kijken en denken wat doen die hier? Alsof ze nog nooit een bus hebben gezien. Zo bijzonder zijn we toch niet? En als ze allemaal even op hun tenen letten dan komt het vast goed.
“Hier links”, zeg ik net een fractie te laat, omdat ik mijn gedachten even liet gaan.
De chauffeur trapt op de rem.
“Kijk het Zwaantje”, wijs ik. “Hier moeten we eraf en dan meteen stoppen, want daar om de bocht is de halte. Weliswaar aan de andere kant van de weg, maar hij is er.”
Er staat een meneer bij de halte. Hij kijkt wat verward. Is dit zijn bus? Vanuit een ooghoek zie ik het meisje met de rode jas wenken. De man ziet het, steekt over en stapt in.
“U gaat naar Amersfoort”, vraagt hij.
“Ja”, zeggen de chauffeur en ik tegelijkertijd. “We gaan naar Amersfoort. Neemt u gerust plaats.”
“Omdat u normaal vanaf de andere kant komt, dacht ik…”
“We nemen vandaag de toeristische route”, hoor ik achter me. Het is het meisje met de rode jas. “Leuk hoor.”
Ik kijk om en glimlach.
“Gaan we weer verder”, vraagt ze.
“Ja, zeg maar hoe”, antwoord de chauffeur.
“Officieel zouden we moeten keren”, zeg ik.
“Zullen we dat maar niet doen”, zegt de chauffeur. “Het is hier niet zo heel erg ruim.”
“Nee laten we dat inderdaad maar niet doen.”
“Als je nu rechtdoor rijdt en dan bij het stoplicht naar rechts gaat dan gaan we ook goed”, zegt de man die net is ingestapt.
“Dan doen we dat”, zeg ik blij met de oplossing.
“Oké daar gaan we.”
We zijn weer op pad. Voor ons een lange straat. We moeten rechtdoor tot aan de rotonde. Ik zeg het tegen de chauffeur en probeer hem gerust te stellen door aan te geven dat er nu echt niks fout kan gaan, zolang hij maar rechtdoor gaat. We doen het, maar bij elke mogelijke afslag voel ik dat we iets afremmen.
“Nee, nog rechtdoor zeg ik.”
“Rechtdoor?”
“Ja, gewoon rechtdoor. Het gaat goed zo. Almaar verder. Ja ook hier.”
“Hier eraf?”
“Nee rechtdoor.”
“En hier.”
“Nee.”
Ik kijk nog eens achterom. Inmiddels lijken de meeste passagiers door te hebben dat dit niet zomaar een rit is. Of ze er allemaal even blij mee zijn vraag ik me af. Ik kan me voorstellen dat men zich afvraagt of dit wel goed komt. Toch zie ik overwegend lachende gezichten en ontmoet ik bemoedigende blikken. Bij de rotonde gaan we op mijn verzoek driekwart rond. Dat is goed. Ik weet het zeker. Ook bij de volgende rotonde moeten we driekwart. Ik zeg het. De chauffeur herhaalt het. Stuurt, draait en slaat vervolgens al bij de tweede afslag af.
“Site seeing!” Hoor ik het meisje met de rode jas zeggen. “Leuk!”
Voorzichtig vertel ik de chauffeur dat we weer fout zitten. We hadden driekwart rond gemoeten net. Maar als ik zo naar de huizen kijk dan hebben we dat niet gedaan. We zijn er bijna hoor, maar nog net niet helemaal.
“Het is niet mijn dag”, zegt de chauffeur.
“Nee het is niet je route”, zeg ik.
“Dat ook.”
“Als we hier ergens naar links kunnen dan zijn we er zo hoor”, zeg ik.
Hobbelend en bobbelend rijden we verder. Om dan tot onze schrik te moeten constateren dat er nergens een links is. Nog erger aan het einde van de weg moeten we verplicht naar rechts in verband met een één richtingsbordje. We dwalen af. Rijden noodgedwongen steeds verder en verder weg. Totdat…
“Hier mag het!” Klinkt het van achter me. Het meisje met de rode jas wijst opgewonden. “Hier kunnen we erin.”
En ja, we kunnen afslaan. Een hele opluchting, want nu rijden we tenminste weer aan op, in plaats van weg van. Nu komt het goed en wel helemaal, want na nog een bocht en een stoplicht zijn we er.
“We zijn er”, zeg ik tegen de chauffeur. “Ik weet niet of je dezelfde route nog terug moet, maar dan moet het dus eigenlijk ietsje anders.”
“Dat begrijp ik”, zegt de chauffeur. “Ik zal het wel aan iemand vragen. Wie weet waar we dan uitkomen. Bedankt voor de hulp en fijne avond nog!”

Posted in Verhalen | Leave a comment

Het stemmen van de Tellen, deel 6

29. Giechel

Nu zult u, beste lezer, wellicht denken dat de stampij die in het huis van Marietje Tel werd gemaakt enkel door omstandigheden en pech uitliep op een wirwar. Dat in andere huizen netjes en zorgvuldig werd geopend, gelezen en doorverteld.  Dat in weer andere huizen rustig werd gehandeld, bekeken en voorbereid. Zonder poespas en zonder brokken. Niets is echter minder waar, want waar de Tellen over het algemeen een zeer beschaafd en voorkomend volk zijn, verloren ze zich in de dagen nadat ik de uitnodigingen had verstuurd in het bestaan van een opgewonden volk dat eerst leek te doen en dan pas te denken. Zo botste Hendrik Tel tegen de deur van zijn werkkamer, omdat hij eerst naar binnen wilde en toen pas bedacht dat de deur nog dicht was. Struikelde Stoffel Tel over zijn pantoffels, omdat hij  ging lopen voordat hij ze had aangedaan. Griste de tweeling  Ietje en Fietje uit de Tellersbuurt menig koekje uit de koekjestrommel, zonder  dat moeder doorhad dat ze wel bakte, maar dat het aantal koekjes gelijk bleef. Klampte Keesje Tel zich vast aan moeders rokken. Liep Gerrit Tel de hele dag te grinniken en… Zo kan ik nog wel even doorgaan. Kortom de uitnodiging ging menig Tel niet in de koude kleren zitten. Hoewel het bijeenroepen niet nooit voorkwam, was het zeker ook niet alledaags. Enige opwinding was dus wel te begrijpen. Al  vraag ik me af of er ooit eerder, om met de woorden van moeder Tel te spreken, zo`n misbaar werd gemaakt. Dat beloofde wat.

Posted in Verhalen | Leave a comment

Het stemmen van de Tellen, deel 5

28. Deur

Er verging een minuut of wat toen plots met een krachtige klop op de buitendeur een buitenstaander aangaf dat hij of zij, het kon een ieder zijn, gaarne naar binnen wilde. Moeder Tel keek op. ‘Wie zou dat zo wezen vroeg ze zich hinderlijk geïrriteerd af? Weten de mensen niet dat dit nog de tijd nog de plaats is om bezoekjes af te leggen? Dat ik gestoord wordt door het geluid van mijn kinderen is tot daar aan toe, maar als ook de rest zich ermee moeien gaat. Dan, ja dan…’ Zoals ik al eerder uitlegde was Moeder Tel bezig en in de weer en een ieder weet dat je haar in zo’n geval beter niet kunt storen. Enigerlei afleiding van nut en praktisch was niet gewenst. Niet nu, niet nooit. Daar volgde echter een tweede klop, gevolgd door een derde, een bonk, een vierde, een vijfde en toen een ‘joehoe ik weet dat u thuis bent’, een zesde klop, ‘ik moet u wat vertellen’, een zevende klop, gerommel en gestommel, ‘het is echt reuze belangrijk’. De stem klonk schril dringend.

Met een zucht veegde Moeder Tel haar handen langs haar schort. Ze had hier kennelijk te maken met een aanhouder in zijn ergste soort. Naarstig snelde ze zich naar de klopper toe, daarbij haar ogen strak gericht op de deur die de klopper vooralsnog buitensloot en aan het zicht ontnam. In haar haast om de boel snel af te handelen, zodat ze weer verder kon met redderen, zag ze in het geheel en algemeen Marietje over het hoofd die al zwaaiend met een wit papiertje de trap was afgehobbeld (het ging wat moeizaam want ze was pijnlijk terecht gekomen toen ze, inderdaad moeder had het goed geraden, van haar stoel was afgewipt) en de gang was ingelopen en nu om ramkoers stond tussen de deur en Moeder Tel. Met een ‘o la la’ en een ‘au’ struikelde Moeder Tel, viel Marietje en klonk er van buiten ‘zeg gaat alles goed daar binnen?’.

Wat volgde was een wirwar van armen, benen en gilletjes. Zowel bij het ontwarren van de ledematen, het opstaan, het openen van de deur als het uiteindelijk lezen van de uitnodiging die inmiddels in tweevoud, één in de zwaaiende handen van Marietje en één in de wapperende handen van de buurvrouw die op de deur had staan kloppen, aan moeder gepresenteerd werd. ‘Is het niet geweldig’, juichten buurvrouw en Marietje. ‘Zeker, zeker’, zei Moeder Tel nuchter, ‘maar om daar nou zo’n misbaar over te maken.’

Posted in Verhalen | Leave a comment

Het stemmen van de Tellen, deel 4

27. Brievenbus

 

Toen Marietje Tel om drie minuten over zeven het klepperen van de brievenbus hoorde spoedde ze zich, zo vertelde ze mij later, met grote haast rommel de bommel langs de trap, door de gang en over het tuinpad naar de kant van de weg waar ze nog net om het hoekje van de heg een jaspuntje van de postbezorger zag wapperen. Met blosjes op haar wangen, van het harde lopen, maar ook van de spanning, deed ze de klep van de bus open en keek naar wat erin zou zitten. Wat ze zag deed haar ogen stralen. Er was post. En niet zomaar post. Nee een heleboel post. Enveloppen in diverse maten en kleuren, kaarten en schrijfsels en gekleurde vellen vol aanbiedingen van plaatselijk ondernemende Tellen uit de buurt. Wat een heerlijkheid, wat een geluk, en wat een kansen. Voorzichtig haalde ze stuk voor stuk de inhoud uit de bus om vervolgens met de hele bundel stap voor stap haar route heen, weer terug te lopen. Aangekomen in haar eigen kamer spreidde ze de ingekomen stukken voor zich op tafel. Al wippend op haar stoel bekeek ze vervolgens één voor één alle gekleurde vellen, schrijfsels, kaarten en enveloppen in de hoop dat één van hen ook aan haar geadresseerd zou zijn. Meestal was alle inhoud voor haar vader, moeder en de rest van de familie, maar heel soms, en Marietje Tel had het idee dat het nu wel eens heel soms zou kunnen zijn, zat er ook iets voor haar bij.

En ja hoor, haar gevoel had haar niet bedrogen. Daar was ie, de envelop der enveloppen, de heilige graal, het wonder dat zou geschieden, de tekst die haar leven zou veranderen of althans een beetje, maar zover zijn we nog niet. In haar handen hield Marietje Tel een crèmekleurige envelop met daarop handgeschreven de namen van haar ouders en nadat ook de namen van haar broertjes en zusjes één voor één aan de beurt waren geweest stond daar helemaal aan het einde van de regel haar eigen naam. Marietje Tel. Natuurlijk had ze nu eigenlijk naar beneden moeten lopen, op de gong moeten slaan, en een vergadering moeten beleggen opdat een ieder wiens naam op de envelop stond en die aanwezig was tegelijkertijd de inhoud kon bekijken, maar daar had ze zo besloot ze eens lekker helemaal geen zin in. Dit was de dag waarop zij als enige de eerste blik zou werpen op. Voorzichtig peuterde ze de envelop open. Het puntje van haar tong wipte naar buiten terwijl zij wippend op haar stoel behendig de inhoud aan de envelop ontfutselde. Met vingers die hier al hun hele leven op hadden gewacht vouwde ze het ingestoken papier open en las toen:

TS,

Komt allen op de eerste woensdag na volle maan naar het stemlokaal. Om 13.30 is daar uw tijd gekomen. Laat ons samenzijn en voor eens en voor altijd besluiten wat het beste voor ons is.

Hoogachtend,

namens hen die u groeten en er zelf niet uitkwamen,

Scriba Tel

P.S. Vergeet uw stempas niet mee te nemen.

Moeder Tel die in de keuken iets nuttigs aan het doen was had het klepperen van de brievenbus gehoord, het gerommel de bommel van Marietje en het even later weer terug lopen. Ze haalde even haar schouders op, dacht ach ja, en schonk verder geen aandacht aan het voorval. Kinderen zijn kinderen en dat is goed zo vond ze. Vlijtig ging ze dan ook verder met al het nut wat ze deed. Haar handen redderden, haar rug boog krom, haar schort werd vuil. Heel normaal en niet anders dan anders. Niets wees erop dat er boven een wonder gebeurde. Geen feeënstof, geen hemelse stemmen die iets prijsden, geen gejuich, geen gegil. Niets. Nou ja, een bonk, maar ach ja kinderen die bonken wel vaker. Marietje zal wel weer op haar stoel hebben zitten wippen en je weet wat er dan gebeurt. Dan val je. Op een dag zal ze dat vast wel afleren, zo dacht ze.

Posted in Verhalen | Leave a comment

Hoor mij

26. Kraan

De verwarming in mijn kamer
spreekt een plonk en rateltaal
hij plink plonk rrrrt en gratelt
en maakt een hels kabaal.

Kesjiie klinkt plof de boiler
vol zuchten slaat hij aan
als hij van koud naar warm gaat
kun je hem haast verstaan.

Ook de kraan laat van zich horen
en drup druppelt een duet
met één van de glazen
die ik in de gootsteen heb gezet.

Al die apparaten
ze menen het vast goed
maar ik zou liever hebben
dat mijn kamer stiller doet.

Posted in Gedichten | Leave a comment